Delen:

Digitale participatieplatforms: de heilige graal van participatie?

Door heel Nederland zijn vanwege de coronacrisis inspraakavonden, omgevingsdialogen en participatiesessies afgezegd. De realiteit is echter dat we participatietrajecten niet zomaar stop kunnen zetten. Door corona neemt de vraag voor een digitale oplossing dan ook toe. Het is – juist nu – interessant om je als lokale overheid te verdiepen in de wereld van de digitale burgerparticipatie.

Wat moet je weten over digitale burgerparticipatie voor je eraan begint? Is het de ideale oplossing en de toekomst van participatie? In dit artikel lees je over de rol van digitale participatieplatforms en over enkele vaak terugkomende stellingen.

Wat is digitale burgerparticipatie en wat zijn digitale platforms?

Digitale burgerparticipatie verschilt van ‘traditionele’ burgerparticipatie. Bij traditionele of ook wel fysieke burgerparticipatie ontmoeten de overheid en burgers elkaar op een fysieke locatie. Burgers kunnen door middel van workshops, dialogen en andere sessies hun stem laten horen. Bij een participatieplatform worden verschillende relevante participatie-instrumenten gecombineerd op een centrale plek, zoals wijkbudgetten en discussiefora. Meestal zijn participatieplatforms deels of geheel digitaal.

Een fysiek participatieplatform is bijvoorbeeld de G1000. De deelnemers beginnen met een grote plenaire sessie en werken daarna in steeds kleinere werkgroepen. Het karakter verandert daardoor van massaal naar persoonlijk en genuanceerd. Fysieke participatie zorgt voor betrokken deelnemers en sociale cohesie. Het nadeel is dat sommige doelgroepen hiervoor de tijd niet willen nemen of hebben. Fysieke participatie trekt dan ook met name de ‘usual suspects’ aan: veelal autochtone gepensioneerde mannen.

Digitale instrumenten bieden een uitkomst in het bereiken van het andere deel van het deelnemersbestand, de ‘unusual suspects’ worden ze wel eens genoemd. Digitale instrumenten kunnen op ieder moment van de dag gebruikt worden op een locatie naar keuze. Ook kunnen deelnemers zoveel participeren als waar zij zelf behoefte aan hebben. Afhankelijk van het platform kunnen ze zelf het thema bepalen. In theorie bereiken digitale instrumenten en platforms veel meer mensen.

In 2018 wierp Binnenlands Bestuur echter een kritische blik op digitale platforms voor burgerparticipatie. Zo kwamen zij tot de conclusie dat veel platforms nauwelijk bezoekers trekken. Een groeiend aantal gemeenten experimenteert dus met digitale participatietools, maar doen dat niet altijd op een goede manier. Op basis van best practices uit de praktijk bespreken we een aantal  do’s en don’ts van digitale participatie aan de hand van vier stellingen.

Stelling 1: Digitale burgerparticipatie is beter dan fysieke burgerparticipatie

Digitaal is de norm vanwege corona de komende tijd. Maken we daaruit op dat digitale participatie ook beter of misschien zelfs de toekomst van burgerparticipatie is? Zoals eerder beschreven is er verschil in de toepassing en het doel tussen fysieke en digitale participatie. Het is eenvoudig om digitalisering van participatie te bekijken vanuit het gebruikelijk perspectief, met efficiëntieverbetering of kostenopgave als leidend motief. Uit de praktijk leren we echter dat digitale middelen juist behoren tot een integrale samenstelling van participatie-instrumenten. Deze mix van online en offline participatie-instrumenten wordt samengesteld om een diversiteit aan doelgroepen te bedienen. Je wilt immers niet alleen die ‘usual suspects’ bereiken. Iedere doelgroep heeft zo zijn eigen voorkeuren voor hoe, waar en waarover zij willen participeren.

Digitale middelen zijn bijvoorbeeld bij uitstek geschikt om jonge gezinnen en jongeren te bereiken, een groep die veel online is en digitaal vaardig is. Daar komt bij kijken dat veel jonge gezinnen geen tijd hebben om aanwezig te zijn bij veel fysieke participatie sessies. Met digitale burgerparticipatie bereik je nog steeds niet iedereen. Een representatief deel van alle inwoners laten participeren is lastig, omdat je een helder beeld moet hebben van wie je inwoners zijn. Vervolgens moet je de passende instrumenten bij die doelgroep kiezen. Digitale participatieplatforms zoals OpenStadsdeel (ontwikkeld door de gemeente Amsterdam), CitizenLab, Consul en Argu bieden vaak een combinatie aan verschillende digitale instrumenten op het platform aan, om zo verschillende doelgroepen te bereiken.

Stelling 2: Op een digitaal participatieplatform behandel je geen moeilijke thema’s

Onderwerpen en thema’s bedenken om op een digitaal participatieplatform te plaatsen is lastig. Je wilt natuurlijk onderwerpen aansnijden die burgers bezighouden en waar het nuttig is voor burgers om over te participeren. Aan de andere wil je niet een onderwerp kiezen waar deelnemers veel kennis voor nodig hebben, of wat misschien gevoelig ligt. Een moeilijk onderwerp kan betekenen dat deelnemers onvoldoende kennis hebben om op niveau input te leveren. Onderwerpen die gevoelig in de gemeenschap liggen lopen het risico dat de inwoners er onderling niet over uitkomen, de politiek buigt zich erover, of het bestuur respecteert de uitkomst van de participatie niet. Daar staat tegenover dat lastige onderwerpen ook kunnen zorgen voor een groter betrokkenheidsgevoel bij burgers. Bovendien kan dit de besluitvorming democratischer maken.

In de gemeente Hollands Kroon is bijvoorbeeld expliciet gekozen om op het digitaal participatieplatform Argu een plan voor een asielzoekerscentrum (AZC) te peilen. Het digitale platform van de gemeente kende na deze vraag een recordhoogte aan aanmeldingen. Door actief en intensief te modereren op het platform konden zoveel mogelijk onconstructieve opmerkingen of argumenten weggefilterd worden. Uiteindelijk stemde een meerderheid op het platform tegen de komst van het AZC, tegen de wens van de lokale politiek in. Een belangrijke conclusie is dat bij zowel fysieke als digitale participatie, er niet altijd de uitkomst is die je oorspronkelijk had beoogd. Houdt dat in gedachten en communiceer helder de spelregels naar burgers. Betrek ook zeker het bestuur en zorg dat zij ook deze uitkomsten zullen respecteren.

Stelling 3: We kunnen altijd wisselen van participatieplatform als het niet bevalt

Bij veel digitale participatieplatforms bouw je een gebruikersbestand op. Dit is een langzaam proces waar je met communicatie- en marketingactiviteiten aan werkt. Het wisselen van participatieplatform is dus ook niet aan te raden, tenzij er een manier is om het gebruikersbestand over te zetten. Of als het participatieplatform niet voldoet aan de wensen en er geen verbetering mogelijk is. Dit maakt de eerste keuze voor een digitaal platform dan ook belangrijk. Voor veel burgers is de instapdrempel voor dit soort platforms al hoog. Zelfs als je vraagt om alleen een naam, postcode en gebruikersnaam. Iets moeten doen voordat je kan reageren schrikt mensen af. Het minimale aan informatie vragen houdt de drempel zo laag mogelijk. Als je dan meer gegevens nodig hebt voor een specifiek project, kun je altijd nog om extra gegevens vragen. Door op deze manier gebruikersdata te minimaliseren ben je ook nog eens goed bezig vanuit een privacy- en databeschermingsperspectief.

Stelling 4: Een groot aantal deelnemers is noodzakelijk voor succes

In theorie is het mogelijk om met een digitaal participatieplatform bijna alle burgers te bereiken. Er zijn tegenwoordig maar weinig mensen zonder internet. In de praktijk blijkt echter dat er maar heel weinig platforms zijn die een hoog percentage van de inwoners bereikt en actief houdt. De kwaliteit van de thema’s heeft invloed op de hoeveelheid burgers die je betrekt en behoudt. Toch is de realiteit dat je soms zelfs met interessante thema’s maar vijf procent van alle inwoners bereikt. Het is dan ook belangrijk om realistische verwachtingen vooraf te hebben. Zolang de steekproef voldoet aan de doelstelling en deze betrouwbaar is, kun je tevreden zijn. Is het je doel om juist alle inwoners te betrekken, bijvoorbeeld omdat het project iedereen aangaat, dan kan een digitaal platform zeker uitkomst bieden.

Daarnaast kun je niet iedereen bereiken, maar wel een specifieke doelgroep of simpelweg meer mensen dan met alleen traditionele participatie. Voor een deel komt de lage opkomst door de vaak schaarse marketing van platforms aan burgers. Simpele Facebook advertenties zijn een relatief goedkope manier om een groot bereik te hebben. Ook is een goed ontworpen flyer in ieders brievenbus vaak al genoeg om in ieder geval naamsbekendheid van het platform op te bouwen. Per project kun je ook nog in de relevante buurt brieven in de bus doen, om zo de juiste doelgroep naar het platform te verwijzen. Door verder de inschrijfdrempel laag te houden kun je veel mensen bereiken. Ook hebben succesvolle participatieplatforms koppelingen met populaire sociale media zoals Facebook, Twitter en Instagram. Als je koppelingen op mensen hun favoriete sociale media zet wordt de zichtbaarheid groter en komen meer mensen naar het participatieplatform.

Conclusie

Digitale participatieplatforms hebben zeker toekomst, maar het is niet de oplossing voor alle participatieproblemen. Digitale platforms kunnen het best ingezet worden als instrument naast de gebruikelijke fysieke instrumenten zoals inspraakavonden en workshops. Tijdens de coronacrisis bieden digitale platforms natuurlijk een oplossing voor de stilgevallen fysieke participatie. Na de crisis biedt het een platform waarop op representatievere manier om input gevraagd wordt en specifieke doelgroepen eenvoudiger worden bereikt. Door fysieke en digitale participatie in tandem in te zetten combineer en versterk je de voordelen van beide vormen. Enerzijds heb je de eenvoudige toegankelijkheid van het online platform waar iedereen een bijdrage kan delen. Aan de andere kant heb je de fysieke evenementen waar de meest betrokken mensen of minder digitaal vaardige burgers kunnen bijdragen.

Meer weten?

Vind je burgerparticipatie een interessant onderwerp en wil je er meer over lezen? Enkele weken geleden heb ik een artikel geschreven over zes vragen die je zeker moet stellen bij ieder participatietraject.

Zeno Thijsse studeerde Bestuurskunde in ‘s-Hertogenbosch en werkt als junior beleidsmedewerker Omgevingsrecht bij Langhenkel-Talenter. Voor zijn afstudeerscriptie heeft hij met gemeenten, kennisorganisaties en aanbieders van platformen gesproken om te komen tot handvatten voor gemeenten om gedegen te experimenteren met digitale burgerparticipatieplatforms.

Delen:
Top