Delen:

Gedegen burgerparticipatie

De komende jaren worden interessant voor het thema burgerparticipatie. Nu de motie Nooren is aangenomen komt er in de Omgevingswet een verplichting voor gemeenten, provincies en waterschappen participatiebeleid op te stellen. Als we de tekst van de motie volgen gebeurt dat zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval voor de invoering van de Omgevingswet. Dat kan nog een behoorlijke opgave zijn voor circa de helft van alle gemeenten die nog geen dergelijk beleid hebben opgesteld. Gemeenten die al participatiebeleid hebben moeten zich ook gaan afvragen of hun participatiebeleid nog wel up-to-date is. Hier volgen zes vragen die je in ieder geval moet stellen voor je een participatieproces gaat toepassen.

Waarom kiezen we voor burgerparticipatie?

Participatiebeleid wordt verplicht, maar je wilt er natuurlijk ook wat uit halen. Het mooiste is als zowel burger als overheid tevreden zijn met het resultaat van een participatietraject. Desondanks blijft succes definiëren bij burgerparticipatie lastig. Misschien hebben burgers wel heel andere verwachtingen dan de overheid bij een participatietraject. Wanneer beschouw je een traject als geslaagd? Vind je het voldoende als er maar 20 mensen naar een inloopavond of workshop komen voor een plan wat honderden of duizenden mensen aangaat?

Hiervoor moet je eerst stilstaan bij wat burgerparticipatie voor jouw organisatie betekent. Er zijn namelijk oneindig veel definities. Bedenk wat je als organisatie wilt bereiken en bepaal welke kernwaarden je daarbij belangrijk vindt. Denk aan waarden als democratische legitimiteit, transparantie, bereik, gebruiksgemak, relevantie en representativiteit. Door indicatoren per kernwaarde op te stellen maak je jouw doelen meer SMART. Een voorbeeld van een indicator voor representativiteit is de hoeveelheid mensen die je als percentage van de totale doelgroep hebt bereikt.

Wanneer in het proces laat ik participatie toe?

Een andere vraag is in welke fase van de beleidscyclus je participatie wilt toelaten. Is je doel om ideeën op te halen, het gesprek aan te gaan of om feedback te vragen? In de Omgevingswet wordt informeren ook niet beschouwd als burgerparticipatie. Er is namelijk geen input vanuit burgers. Bovendien geldt als wellicht de belangrijkste best practice, dat er wel wat te beslissen moet zijn om burgers geïnteresseerd te krijgen en betrokkenheid vast te houden. Je wilt burgers dus betrekken vóór alles vastligt. Dit vergt flexibiliteit van de ambtelijke organisatie, omdat de uitkomsten van het participatietraject aanvankelijk niet bekend zijn. Het is daarom belangrijk om vooraf intern afspraken te maken over het participatieniveau en zo te zorgen voor borging van de resultaten.

Kan participatie dan nog wel als het niet plaatsvindt in de initiatief fase? Dat kan, alleen doen we dat in Nederland nog niet echt. In Nederland ligt de focus met name op agendavorming, participatief begroten en soms op deliberatie. Internationaal gezien zijn dit ook de meest voorkomende vormen van participatie, maar er zijn ook voorbeelden van landen waar beleid door burgers onder de loep wordt genomen of waar burgers zelf verordeningen op kunnen stellen. Zo heeft de Britse overheid in 2015 voor een aantal beleidsonderwerpen onder de naam ‘Evidence Checks’ gevraagd aan burgers om kritisch te kijken naar de onderbouwing van dit beleid. Burgers konden zelf met bronnen en literatuur komen waaruit zou blijken of het beleid wel of geen goed effect zou hebben.

Wat voor instrumenten gaan we gebruiken?

Instrumenten voor burgerparticipatie komen in verschillende vormen. Bekend bij vrijwel iedere gemeente is de bewonersavond. Bedenk wie nu echt je doelgroep is en probeer je instrumenten daarop aan te passen. Zijn met name ouderen je doelgroep, dan kan een inloop-/workshopavond bij het stadskantoor al voldoende zijn. Is de groep ouderen die je wilt bereiken niet mobiel, dan kun je ook op locatie (verzorgingshuis, verpleeghuis) een activiteit houden. Daarentegen zijn jongeren en gezinnen veel beter bereikbaar online. Voor hen kun je bijvoorbeeld beter een digitale participatietool gebruiken en de functionaliteit aanpassen aan het participatieniveau dat je wilt toelaten. Is je doel om een representatief deel van de burgers te bereiken? Zet dan een divers pallet aan instrumenten in. Monitor daarbij zowel tijdens als na het participatietraject of je ook daadwerkelijk een representatief deel van de doelgroep bereikt hebt. Daarnaast is in een vroeg stadium onderzoek doen naar wat burgers zelf willen en hoe zij kunnen participeren een absolute aanrader. Zo voorkom je weinig bezochte evenementen en platforms.

Wie is er verantwoordelijk intern en extern?

In het middelpunt van vrijwel ieder succesvol participatietraject staat een enthousiaste ‘kartrekker’ die deels of volledig vrijgemaakt is om participatieprojecten te begeleiden. Zo’n kartrekker enthousiasmeert anderen en toont hen het belang en de voordelen van participatie bij hun projecten. Burgers moeten ook goed weten waar ze aan toe zijn. Durf verantwoordelijkheden aan hen toe te delen en geef ze zelfregie. Gedeeld eigenaarschap binnen het project draagt namelijk bij aan het succes. Tegelijk moeten de verwachtingen over en weer helder zijn. Transparantie over de rolverdeling en de inhoud van de participatie is een vereiste om het participatietraject in te gaan. Het voorkomt teleurstellingen aan beide zijden. Participeren is voor veel burgers nog nieuw, dus het managen van de verwachtingen tussen interne en externe partijen is een kerntaak van de participatie manager.

Waar is participatie handig?

Ruimtelijke projecten lenen zich bij uitstek voor toepassing van participatietrajecten. Burgers worden vaak terecht gezien als omgevingsexperts. Soms spelen er problemen in een wijk waar de gemeente geen zicht op heeft, maar burgers zich wel iedere dag aan ergeren. Ook is het makkelijker om aan burgers een ruimtelijke inpassing te vragen dan op commentaar over de bestuurlijke visie van de gemeente. Zo kun je burgers vragen met concrete ideeën te komen, zoals een buurtcentrum voor jongeren of een speeltuin waar behoefte aan is. Sommige onderwerpen zijn dus geschikter dan andere.

Voor een goed resultaat wil je voorkomen dat het onderwerp te ingewikkeld is, waardoor burgers niet goed op inhoud kunnen participeren. De vraagstelling moet ook duidelijk en leesbaar zijn voor alle burgers. Ook ligt het thema liefst niet te gevoelig, waardoor er alleen maar een steeds verder polariserend debat ontstaat. Een ander voorbeeld is om binnen het thema veiligheid een ‘hittekaart’ op te stellen van gebieden waar burgers zich onveilig voelen, om op die manier een gerichtere aanpak te creëren. Wijkbudgetten toewijzen is ook een populaire maatregel, omdat het beroept op de zelfredzaamheid en creativiteit van de burger en zo mogelijke gaten in het lokale beleid opvult. Een voorbeeld hiervan is de gemeente ’s-Hertogenbosch. Hier krijgen wijken ieder een budget waarmee ze volledig vrijgelaten worden dit te besteden aan eigen initiatieven en evenementen.

Hoe gaan we met de resultaten om?

Een veel vergeten punt waar het misgaat in participatieprojecten is de terugkoppeling. Zeker voor burgers die nauw betrokken zijn geweest bij een participatietraject, is het belangrijk om de resultaten van hun bijdrage te weten. Succesvolle participatietrajecten houden hun deelnemers dan ook via mail of social media op de hoogte van vooruitgang, maar ook van potentiele obstakels die het proces bemoeilijken. Door deze obstakels kenbaar te maken kan de burger zich makkelijker verplaatsen in de soms lastige rol van de overheid waar budgettaire restricties of juridische kaders goede ideeën blokkeren. Veel weerstand die burgers hebben naar overheidsbesluiten zijn vaak verankerd in onduidelijkheid over de motieven achter dat besluit. Koppel als iets niet mogelijk is dus niet alleen terug dat het niet kan, maar ook waarom, en uiteraard in klare taal.

Ook is een goede evaluatie van het proces van groot belang voor het succes van toekomstige participatietrajecten. Belangrijke pijlers hierbij zijn de kernwaarden, bijbehorende indicatoren en doelen die je oorspronkelijk wilde bereiken. In hoeverre voldoet het achterliggende project hieraan? Denk hierbij niet alleen aan interne doelen en waarden, maar probeer ook vanuit het perspectief van de burger te kijken en vraag hen actief om feedback.

Concluderend

Dit is geen eindige lijst van belangrijke vragen en praktische tips, maar geeft een algemeen beeld van onderwerpen waar je aan moet denken als je aan participatie begint. De veelvuldigheid aan participatiemiddelen die ontwikkeld gaan worden door de verplichting voor participatiebeleid zullen ongetwijfeld tot interessante nieuwe inzichten leiden op het gebied van burgerparticipatie. Tegenwoordig worden ook veel digitale platforms en tools ontwikkeld en aangekocht om burgerparticipatie te faciliteren. Zijn deze digitale instrumenten de toekomst en moet je hier als gemeente nu ook in gaan investeren, en wat moet je weten als je al weet dat je dat gaat doen? Hierover meer in het volgende artikel over digitale burgerparticipatie!

Zeno Thijsse studeerde Bestuurskunde in ‘s-Hertogenbosch en werkt als junior beleidsmedewerker Omgevingsrecht bij Langhenkel-Talenter. Voor zijn afstudeerscriptie heeft hij met gemeenten, kennisorganisaties en aanbieders van platforms gesproken om te komen tot handvaten voor gemeenten om gedegen te experimenteren met digitale burgerparticipatieplatforms.

Delen:
Top